Woningruil

Als de huurders van twee woningen van woning willen ruilen, kunnen zij hun verhuurder(s) vragen daaraan mee te werken.

Als de verhuurder(s) meewerkt/meewerken, komen doorgaans twee nieuwe huurovereenkomsten tot stand. De huurders kunnen overeenkomen dat zij elkaars huurovereenkomst overnemen, maar meestal biedt de verhuurder de nieuwe huurder (ruilpartner) een nieuwe huurovereenkomst aan.

Als de verhuurder(s) niet wil(len) meewerken, kan de huurder de rechter vragen of hij de huur mag overdoen aan iemand met wie hij van woning wil ruilen. Dat kan ook als in het huurcontract staat dat woningruil niet mag. De rechter kan zo’n vordering alleen toewijzen als de huurder een heel duidelijk belang bij de woningruil heeft. Bijvoorbeeld als hij invalide is en niet kan traplopen. Er zijn twee afwijzingsgronden:

  • Als het ernaar uit ziet dat de voorgestelde huurder de huur van de woning niet kan betalen, wijst de rechter de vordering af;
  • Als er een huisvestingsvergunning voor een woning is vereist, moet de voorgestelde huurder in elk geval over een huisvestingsvergunning voor de woning beschikken. Heeft hij die niet, dan wijst de rechter de vordering af.