Met de werkwijze NVI kan er zonder voorafgaand ecologisch onderzoek geïsoleerd worden. Hier geldt wel dat er bij de desbetreffende provincie moet worden nagegaan welke regels gelden. Woningeigenaren hoeven geen vergunning aan te vragen als zij een bedrijf inhuren dat natuurvriendelijk isoleert. Het isolatiebedrijf voert de isolatie dan uit volgens voorwaarden die onder de landelijke lijn NVI gelden. NVI is ontwikkeld door de provincie Utrecht. Bedrijven die natuurvriendelijk isoleren zijn te vinden op natuurvriendelijkisoleren.nl. Deze isolatiebedrijven hebben de training voor NVI gevolgd. Isolatiebedrijven die natuurvriendelijk isoleren werken op de volgende manier:
- Voorafgaand aan het isoleren worden er uitvliegmogelijkheden voor de vleermuizen gerealiseerd. Dit wordt gedaan door zogenoemde ‘flappen’ (exclusion flaps). Deze flapjes worden voor kieren en gaten van de woning/het gebouw geplaatst. Hierdoor kunnen de vleermuizen wel uitvliegen, maar niet meer terug naar binnen. Dit heet natuurvrij maken. Deze manier van werken voorkomt dat vleermuizen gedood worden tijdens de isolatie.
- Er wordt altijd een ruimte vrijgehouden voor de vleermuizen in de spouw (lokale compensatie). Daar waar van toepassing wordt ook voor huismussen en gierzwaluwen gecompenseerd. Het isolatiebedrijf houdt daarvoor een klein gedeelte van de spouw (in de nok) vrij van isolatiemateriaal. Dit heeft geen gevolgen voor de isolatiewaarde en heeft geen significant effect op ontstaan van koudebruggen en/of vochtdoorslag.
- Isolatiebedrijven werken volgens de natuurkalender. Dit houdt in dat in de kraam- of broedperiode tussen 1 april en 31 juli en de winterslaap tussen 1 november en medio maart geen isolatiewerkzaamheden mogen worden uitgevoerd omdat dieren dan verstoord of gedood kunnen worden. Wanneer voorafgaand aan die periodes de woning al natuurvrij is gemaakt kan wél geïsoleerd worden.
Naast de bovenstaande elementen die isolatiebedrijven hanteren om te werken met NVI, zijn er een aantal randvoorwaarden om deze werkwijze landelijk te laten gelden:
-
Maximum percentage. Er geldt landelijk een maximum percentage van 6% (voor 3 jaar) per CBS-buurt voor de particuliere woningen die op deze wijze geïsoleerd mogen worden. Het percentage is volgens de volgende fasering: 3% voor het eerste jaar, 2% voor het tweede jaar en 1% voor het derde jaar. Dit percentage geldt de komende drie jaar voor het isoleren van de spouwmuur, het buitendak, buitenmuur/gevel en borstwering. Het percentage is vastgesteld om het risico op aantasting van (kraamverblijven van) de beschermde diersoorten zo laag mogelijk te houden. Voor werkzaamheden zoals isolatie van binnendak en binnenmuur gelden wel regels, maar deze werkzaamheden tellen niet mee voor het maximum percentage.
- Meldingsapplicatie. Isolatiebedrijven die de training Natuurvriendelijk Isoleren hebben afgerond, krijgen toegang tot de landelijke ‘Meldingsapplicatie Natuurvriendelijk Isoleren’. Daarin houden isolatiebedrijven bij welke woningen natuurvriendelijk geïsoleerd worden. De provincie en omgevingsdiensten (het bevoegd gezag) monitoren dit en richten hier hun handhaving op in. Zodra het jaarlijkse percentage van 6% overschreden wordt, krijgt het isolatiebedrijf een melding dat er in het desbetreffende gebied niet doorgeïsoleerd kan worden. Provincies zijn verantwoordelijk voor het verstrekken van toegang tot de meldingsapplicatie aan gemeenten en omgevingsdiensten.
- Compensatieopgave (realiseren van alternatieve verblijfplaatsen op gemeenteniveau). Om de grotere (kraam)verblijven van dieren die verloren zijn gegaan tijdens het isoleren te compenseren, is er een opgave voor gemeenten om te zorgen voor nieuwe, kraam- of broedplekken voor de diersoorten door de hele gemeente heen. Het ministerie van VRO heeft de compensatieopgave (aantallen alternatieve verblijfplaatsen) laten berekenen en stelt de gegevens beschikbaar aan gemeenten en provincies. Het realiseren van deze alternatieve verblijfplaatsen door gemeenten is alleen nodig voor vleermuizen. Dit geldt niet voor andere diersoorten zoals de gierzwaluw en de huismus. Isolatiebedrijven nemen voor deze vogels maatregelen volgens de werkwijze natuurvriendelijk isoleren. De compensatieopgave vindt plaats volgens de volgende faseringsroute:
- 80% van de gemeentelijke opgave wordt gerealiseerd vóór 15 februari 2025.
- 20% van de gemeentelijke opgave wordt gerealiseerd vóór 1 april 2026.
Ter ondersteuning van gemeenten is in opdracht van het ministerie van LVVN en RVO een handboek samengesteld waarin staat welke alternatieve voorzieningen gerealiseerd kunnen worden en waar op te letten bij de realisatie van de verblijfplaatsen. Het handboek NVI korte termijn is beschikbaar gesteld voor gemeenten. Daarbij worden er middelen beschikbaar gesteld aan gemeenten voor de realisatie van alternatieve verblijfplaatsen. Deze zijn onderdeel van de SPUK regeling die eind december 2023 is opengesteld. In 2024 is de tweede tranche geopend.
Wat betekent dit voor de woningeigenaar?
NVI betekent dat woningeigenaren geen duur ecologisch onderzoek hoeven uit te voeren. Woningeigenaren hoeven geen vergunning aan te vragen als zij een bedrijf inhuren dat natuurvriendelijk isoleert. Het isolatiebedrijf voert de isolatie dan uit volgens voorwaarden die onder de landelijke lijn NVI gelden. Dit betekent wel dat altijd gewerkt moet worden volgens de natuurkalender, altijd natuurvrij gemaakt moet worden en er altijd vervangende verblijfplaatsen moeten worden gerealiseerd door een hierin getraind isolatiebedrijf. Uiteraard mag ook het reguliere traject nog steeds gevolgd worden, waarin jaarrond onderzoek wordt gedaan en een vergunning wordt aangevraagd. Deze afgesproken werkwijze is echter maar tijdelijk, totdat er landelijk pre-SMP’s en SMP’s gerealiseerd zijn en gewerkt kan worden onder gemeentebrede vergunningen. Omdat het opstellen van een SMP tot 2 jaar kan duren, is er gekozen voor een kortetermijnaanpak. Intussen wordt er met de betrokken partijen onderzocht of een gedragscode mogelijk is, waarbij alle onderzoeksmethoden worden geïntegreerd tot een integrale gedragscode. Dit zou een oplossing kunnen zijn voor de termijn totdat er landelijk SMP’s gelden. Het einddoel is om te komen tot gemeentedekkende SMP’s in heel het land.
Voor welke woningen?
De kortetermijnaanpak geldt alleen voor grondgebonden particuliere koopwoningen in het stedelijk gebied. Dit zijn eengezinswoningen, maar ook boven- en benedenwoningen of gesplitste woningen tot en met maximaal een vierde woonlaag. Dit kan dus van toepassing zijn voor zeer kleine VvE’s die in gesplitste boven-/benedenwoningen zitten. Voor VvE’s is de mogelijkheid om het ecologisch onderzoek te subsidiëren via de SVVE.
Natuurvriendelijk Isoleren geldt niet voor huurwoningen en voor flats, portiekflats en appartementencomplexen. De laatstgenoemde gebouwen zijn gewilde verblijfplaatsen voor grote groepen vleermuizen (bijvoorbeeld massawinterverblijven), omdat ze veel meer en veel grotere plekken omvatten waar de dieren zich kunnen nestelen. Het isoleren van deze gebouwen zonder ecologisch onderzoek brengt een onaanvaardbaar groot ecologisch risico met zich mee. Bewoners van deze gebouwen moeten dus of zelf ecologisch onderzoek laten uitvoeren - en kunnen hiervoor 75% van de kosten vanuit de Subsidie verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars (SVVE) voor krijgen - of wachten op het gemeentelijk SMP en een gebiedsdekkende vergunning van de provincie.
Ook woningen in het bezit van woningcorporaties vallen niet onder de kortetermijnaanpak. Ook daar geldt een onaanvaardbaar groot risico omdat de verduurzaming daar blok-/straatgewijs plaatsvindt. Zij moeten dus zelf ecologisch onderzoek laten doen en een vergunning aanvragen. Woningcorporaties doen dit al jaren op deze wijze, en onderzoeken voor de komende jaren lopen al. Als het SMP er eenmaal is, kunnen zij daar wel bij aanhaken. Zij hoeven dan niet meer zelf ecologisch onderzoek uit te laten voeren.