Op dit moment zijn er te weinig woningen. De vraag is groot: jaarlijks moeten er 100.000 woningen worden gerealiseerd. Twee derde daarvan moet uit betaalbare koop- en huurwoningen bestaan. En van alle nieuw te bouwen woningen moet 30% sociale huurwoningen zijn. De Wet versterking regie volkshuisvesting zorgt ervoor dat het Rijk, provincies en gemeenten daar beter de regie op kunnen nemen.
De Wet versterking regie volkshuisvesting zorgt voor meer regie op hoeveel, waar en voor wie we bouwen.
Hier vind je veelgestelde vragen over de regie op hoeveel, waar en voor we bouwen.
De grondwettelijke zorg voor voldoende woningen staat in de Omgevingswet. Gemeenten moeten regionaal afspraken maken over hoeveel, waar en voor welke doelgroepen er gebouwd gaat worden. Deze afspraken moeten optellen tot de bouw van 100.000 woningen per jaar. Als gemeenten er onderling over de verdeling van de opgave niet uitkomen, dan zullen provincies of het Rijk na zes maanden de knoop doorhakken. Afspraken hierover worden opgenomen in de volkshuisvestingprogramma’s die het Rijk, provincies en gemeenten verplicht vast moeten stellen.
Het Rijk en gemeenten stellen uiterlijk 1 juli 2027 hun volkshuisvestingprogramma’s vast. Provincies hebben hun ontwerp volkshuisvestingprogramma uiterlijk 1 juli 2027 gereed en stellen deze uiterlijk 1 januari 2028 vast. De eisen waar de volkshuisvestingprogramma’s aan moeten voldoen zijn opgenomen in het Besluit versterking regie volkshuisvesting dat naar verwachting 1 januari 2027 in werking treedt.
Provincies moeten samen met gemeenten zorgen voor voldoende bouwlocaties. In totaal gaat het om genoeg locaties om 100.000 woningen per jaar te realiseren. Zo worden landelijke doelen naar lokaal niveau vertaald. Als medeoverheden er onderling niet uitkomen, kan de minister via instructieregels en besluiten in het uiterste geval nieuwbouwlocaties aanwijzen.
Woningcorporaties spelen een belangrijke rol bij de totstandkoming van sociale huurwoningen. Ook de inzet van de woningcorporaties is hard nodig. Via lokale prestatieafspraken leggen zij met gemeenten en huurorganisaties vast waar en wanneer deze woningen er komen. Als dit spaak loopt, kan de minister op advies van een landelijke adviescommissie een bindende uitspraak doen over de totstandkoming of nakoming van de lokale prestatieafspraken. Daarmee kan iedereen verder.
Met de woondeals wordt invulling gegeven aan een deel van de volkshuisvestingsprogramma’s, namelijk hoeveel woningen er worden gebouwd, welke woningen betaalbaar zijn en hoeveel woningen er voor ouderen en studenten worden gebouwd. De afspraken die in het kader van de woondeals worden gemaakt worden opgenomen in de volkshuisvestingsprogramma’s. Ook nu de Wet versterking regie volkshuisvesting van kracht is, gaan we door met het maken van bestuurlijke afspraken over de woningbouw tussen de verschillende overheden. De regionale afstemming om tot deze afspraken te komen blijft plaatsvinden in een woningbouwregio, de opvolger van de woondealregio. Deze regio wordt met de Wet regie wettelijk verankerd in de omgevingsverordening. De provincie voert nog steeds de regie op de realisatie van de woningbouwopgave. Ook voert de provincie het gesprek over wat partijen van elkaar verwachten en van elkaar nodig hebben. Bijvoorbeeld op het gebied van voorwaarden voor woningbouw of het oplossen van knelpunten rondom netcongestie. Wat verandert ten opzichte van de huidige situatie is dus dat de bestuurlijke afspraken vervolgens worden opgenomen in de volkshuisvestingsprogramma’s die het Rijk, provincies en gemeenten verplicht vast moeten stellen.
De bestuurlijke afspraken over de verdeling van betaalbaarheidseisen en ouderen- en studentenwoningen tot en met 2036 worden op dit moment herzien. Dit moet uiterlijk eind 2026 klaar zijn. De actualisatie van de woondeals worden vervolgens in het eerste kwartaal van volgend jaar bestuurlijk bekrachtigd. Bekijk ook de visual over de samenhang tussen de wet Versterking regie, de woondeals en de volkshuisvestingprogramma’s.
De woonvisie vervalt en wordt vervangen door het volkshuisvestingsprogramma en de omgevingsvisie, zoals opgenomen in de Omgevingswet. Het volkshuisvestingsprogramma schrijft voor over welke onderwerpen de gemeente lokaal beleid maakt. De uitvoering van dit beleid met de onderwerpen vanuit het volkshuisvestingsprogramma vindt haar beslag in de lokale prestatieafspraken die worden gesloten tussen gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties.
De Wet versterking regie volkshuisvesting zorgt op deze manier voor een versteviging van de lokale prestatieafspraken: de lokale prestatieafspraken vormen een uitwerking van de geïntroduceerde volkshuisvestingsprogramma’s.
De lokale prestatieafspraken worden verder verstevigd door in het Besluit versterking regie volkshuisvesting te bepalen dat de woongerelateerde zorg en ondersteuning bij de lokale prestatieafspraken wordt betrokken en de behandeling van geschillen over de nakoming van lokale prestatieafspraken mogelijk te maken. Dat betekent dat zowel geschillen over de totstandkoming als geschillen over de nakoming van lokale prestatieafspraken bij de minister kunnen worden aangebracht. Zo verstevigen we de wederkerigheid van de lokale prestatieafspraken. Het Besluit treedt naar verwachting op 1 januari 2027 in werking.
De gemeente moet in het volkshuisvestingsprogramma de verbinding leggen tussen wonen, zorg en ondersteuning. Zorg en ondersteuning zijn voor een deel van de mensen immers randvoorwaardelijk om passend en zelfstandig te kunnen wonen. Daarbij brengt de gemeente ook de woonbehoefte in beeld van mensen die zijn aangewezen op zorg of ondersteuning, zoals ouderen, mensen met een beperking en mensen die uitstromen uit beschermd wonen of de maatschappelijke opvang. De Wet versterking regie volkshuisvesting regelt dat de gemeente het initiatief neemt om bij het gesprek over lokale prestatieafspraken de (zorg)aanbieders te betrekken die hieraan een bijdrage kunnen leveren. De gemeente bepaalt welke partijen worden betrokken; de lokale praktijk is immers in iedere gemeente anders. De gemeente bepaalt ook op welke manier zij de relevante zorg- en ondersteuningspartijen betrekt. De zorg- en ondersteuningspartijen zijn geen ondertekenende partij bij de lokale prestatieafspraken, maar leveren daarvoor dus wel input. Hiermee kunnen wonen, zorg en ondersteuning beter op elkaar worden afgestemd en kan tijdig worden voorzien in passende huisvesting voor mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag.