Bij herplaatsing van flexwoningen is het van belang in ogenschouw te nemen aan welke eisen met betrekking tot de bouwkwaliteit de flexwoningen dient te worden voldaan. Daarvoor is het van belang hoe het bouwwerk wordt gekwalificeerd volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Het Bbl maakt onderscheid tussen ‘bouwwerken’ en ‘tijdelijke bouwwerken’. Een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in het Bbl (bijlage I) is een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie. Hoewel een bouwwerk dus maar een bepaalde periode staat (bijvoorbeeld 20 jaar) kan het zijn dat dat bouwwerk niet voldoet aan de definitie van ‘tijdelijk bouwwerk’ in het Bbl.
Voor ‘tijdelijk bouwwerken’ geldt (en gold onder het Bouwbesluit 2012) dat het bouwwerk niet mag blijven staan op dezelfde locatie, tenzij deze naar het eisenniveau van nieuwbouw wordt gebracht (artikel 4.8 lid 2 Bbl). Bij verplaatsing in ongewijzigde samenstelling geldt dat het tijdelijke bouwwerk opnieuw mag voldoen aan de eisen voor bestaande bouw (artikel 5.6 lid 2 Bbl), tenzij het op de nieuwe locatie niet kan worden aangemerkt als ‘tijdelijk bouwwerk’. Onder het Bouwbesluit 2012 gold bij dergelijke verplaatsing het ‘rechtens verkregen niveau’, ook mits opnieuw sprake was van een ‘tijdelijk bouwwerk’ op de nieuwe locatie.
Als een ‘tijdelijk bouwwerk’ op de nieuwe locatie een ‘bouwwerk’ is dat geen ‘tijdelijk bouwwerk’ is, geldt hetzelfde als bij verplaatsing van ‘bouwwerken’ zoals hierna uitgelegd.
Voor ‘bouwwerken’ gelden geen bijzondere voorschriften voor het laten staan op dezelfde locatie. Mogelijk is wel een voorschrift in de omgevingsvergunning opgenomen, of is het gebruik als woning aan een bepaalde termijn verbonden (bijvoorbeeld als het omgevingsplan bewoning niet mogelijk maakt, en een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een bepaalde termijn is verleend).
Bij het verplaatsen van ‘bouwwerken’ geldt onder het Bbl eveneens iets afwijkends ten opzichte van het Bouwbesluit 2012.
Vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet gold bij ‘bouwwerken’ die in ongewijzigde samenstelling worden verplaatst, het rechtens verkregen niveau (artikel 1.15 lid 1 van het Bouwbesluit). Dit betekende dat het kwaliteitsniveau dat is ontstaan door het bouwen volgens de omgevingsvergunning bij verplaatsing mocht worden behouden. Dat kwaliteitsniveau gold als het ‘rechtens verkregen niveau’, ook bij verplaatsing. Hierdoor hoefde niet aan elke wijziging van het Bouwbesluit te worden voldaan, zolang aan de eisen die volgen uit de omgevingsvergunning is voldaan.
Nu, onder het Bbl, is voor ‘bouwwerken’ bij verplaatsing niet meer het rechtens verkregen niveau van toepassing. Artikel 5.6 lid 1 van het Bbl bepaalt namelijk dat bij de verplaatsing van een bestaand bouwwerk in ongewijzigde samenstelling, de regels van hoofdstuk 3 (niveau bestaande bouw) van toepassing zijn.
Concreet betekent dit dat als een permanent bouwwerk na verplaatsing niet voldoet aan de tegen die tijd geldende regels voor bestaande bouw in het Bbl (bijvoorbeeld omdat in de tussentijd bepaalde regels strenger zijn geworden), het bouwwerk moet voldoen aan deze nieuwe regels. Hierdoor moet mogelijk een en ander aan de woning bij verplaatsing worden aangepast. Het rechtens verkregen niveau, zoals van kracht onder het Bouwbesluit, is dus onder het Bbl in beginsel niet meer van toepassing.
In het voorjaar van 2024 wordt echter een Kamerbrief verwacht waarin de Minister het voornemen zal mededelen om bij een toekomstige wijziging van het Bbl, artikel 5.6 lid 1 Bbl aan te passen zodat ook bij verplaatsing van ‘bouwwerken’ – zoals ook voorheen onder het Bouwbesluit 2012 – het rechtens verkregen niveau van toepassing zal zijn.