Hieronder vind je veelgestelde vragen en antwoorden over de tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw (hierna: SPUK-regeling). Alle antwoorden zijn gebaseerd op de SPUK-regeling en het Plan van Aanpak Beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit. De regeling en het plan van aanpak zijn altijd leidend.
Veelgestelde vragen en antwoorden over lopende Mobiliteitspakketten (2022)
Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: IenW) organiseert het beheer en de monitoring van de mobiliteitspakketten. De voortgang wordt op de volgende manier bijgehouden:
- Jaarlijkse schriftelijke verantwoording via Single information, Single audit (hierna: SiSa) en het beleidsinformatieformulier. Deze informatie wordt in april uitgevraagd en moet uiterlijk op 1 juli worden aangeleverd.
- Jaarlijkse voortgangsgesprekken in het 2e en 4e kwartaal onder leiding van de gebiedsregisseurs van VRO. Deze gesprekken worden zoveel mogelijk gelijktijdig gepland met de gesprekken voor het “dashboard woningbouw” en eventuele andere woningbouw of mobiliteit subsidies die de gemeenten ontvangt.
Daarnaast is er continue de mogelijkheid om vragen te stellen via woningbouwenmobiliteit@minienw.nl. Indien daar aanleiding toe is kunnen er altijd extra contactmomenten afgesproken worden.
Je vindt hier verdere achtergrondinformatie en nadere instructies aan over de jaarlijkse SiSa-verantwoording. Op de website staat een contactformulier voor casus specifieke vragen.
Voor de Mobiliteitspakketten worden de beleidsmatig vastgestelde grenzen voor betaalbare woningbouw gevolgd. Deze zijn vastgelegd in artikel 1 van het Besluit Woningbouwimpuls 2020.
Van gemeenten wordt verwacht dat zij afspraken over de aanvangshuurprijzen aantoonbaar vastlegt, bijvoorbeeld in anterieure overeenkomsten. Ook voor de koopwoningen wordt van gemeenten verwacht dat zij in overeenkomsten afspraken vastleggen over het hanteren van het, op het moment van contracteren, actuele maximale plafondbedrag. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het (al dan niet) indexeren van de betaalbaarheidsgrens na contracteren. Van gemeenten wordt verder verwacht dat zij instrumentarium inzetten om de woningen langdurig te behouden (minimaal 10 jaar) voor het betreffende betaalbare segment.
Ja, mits het een permanente woning is. Definitie voor 'woning' die het programma aanhoudt: elke door nieuwbouw of transformatie aan de woningvoorraad toe te voegen zelfstandige of niet zelfstandige woning, niet zijnde een tijdelijk bouwwerk.
Onder startbouw wordt verstaan het moment waarop de werkzaamheden aan de fundering van die woningen beginnen. Dit betreft in de praktijk het plaatsen van de eerste heipaal of het storten van beton
De ontvanger dient uiterlijk 31 december 2030 te starten met de realisatie van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie. De start van de realisatie van de laatste woningen, is het moment waarop de werkzaamheden aan de fundering van die woningen beginnen.
Uiterlijk 31 december 2035 dient de realisatie van alle mobiliteitsmaatregelen te zijn afgerond.
Let op: Voor de middelen die zijn verdeeld in 2025 hanteren we andere realisatietermijnen.
De gemeenten dient direct een mededeling te doen zodra aannemelijk is dat:
- de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden afgerond;
- de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart;
- het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen of het genoemde aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie niet of niet geheel zal worden gerealiseerd;
- niet aan andere bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan.
Het programmateam zal daarna contact opnemen met de contactpersoon om eventuele vervolgstappen te bespreken.
Als een gemeente meldt dat er wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke beschikking gewenst zijn zal het volgende proces tot een eventuele aanpassing van de beschikking in gang worden gezet:
- Verkennend gesprek met de gemeente om de consequenties voor (de scope van) het project te achterhalen.
- Waar nodig wordt een expert- en auditteam ingezet om een gemeente te ondersteunen bij het zoeken van een oplossing voor de (negatieve) consequenties.
- Dit gesprek kan ertoe leiden dat er een verzoek tot wijzigen van de beschikking wordt ingediend.
- Indiening wijzigingsverzoek met formele brief en aanvullende documentatie.
- In geval van wijzigingen binnen de scope zal het besluit door de directeuren van het programma Woningbouw en Mobiliteit genomen worden. In geval van wijzigingen buiten de scope wordt het besluit aan de bewindspersonen voorgelegd.
- De beschikking wordt bij goedkeuring door het DO of de bewindspersonen waar nodig op onderdelen aangepast.
Wanneer het wenselijk is om een infrastructurele maatregel te wijzigen, dan moeten de bij vraag 8 omschreven stappen worden doorlopen. Voor het wijzigen van een infrastructurele maatregel gelden de volgende overwegingen en voorwaarden:
- De voorgestelde wijziging van de afspraak voldoet aan de criteria voor toekenning van de middelen, zoals beschreven in de toelichting bij de regeling voor Mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw.
- Een wijziging kan worden toegestaan mits dezelfde woningbouwlocatie wordt ontsloten en de infrastructurele voorziening ziet op dezelfde vervoersmodaliteit als waarvoor eerder de specifieke uitkering is verleend.
- De vervoersmodaliteit is enkel te wijzigen met een besluit van de verantwoordelijke bewindspersonen. De enige uitzondering hierop zijn de mobiliteitspakketten die vallen onder de pilot Programmatische Bekostiging, in grootschalige woningbouwgebieden MRA Oost – Amsterdam Zuidoost en Amersfoort Spoor- en A1-zone.
- De totale rijksbijdrage is taakstellend.
- De totale investering wordt niet lager zonder dat de rijksbijdrage evenredig wordt verlaagd.
De in de BO’s MIRT afgesproken Rijksbijdragen worden tot het moment van uitkeren door IenW geïndexeerd met de door het ministerie van Financiën aan IenW uitgekeerde IBOI-percentage.
Omdat prijsstijgingen van jaar op jaar doorgaan worden gemeenten geacht de eigen bijdrage en de van derden, inclusief IenW, ontvangen bijdragen te indexeren vanaf het moment van inzet van deze middelen.
De (financiële) projectbeheersing valt onder de taken en verantwoordelijkheden van de betreffende gemeente. De rijksbijdrage is taakstellend en wordt in principe niet omhoog bijgesteld.
De gemeente kan de toegekende middelen zelf redelijkerwijs indelen. Dit betekent dat de gemeente op eigen initiatief mag schuiven met middelen tussen de verschillende infrastructurele maatregelen binnen dezelfde beschikking zolang alle maatregelen binnen het totaal aan de gemeente voor het project toegekende Rijksbijdrage uitgevoerd worden.
Daarnaast is er de mogelijkheid om tekorten met IenW en VRO te bespreken waarbij er mogelijk een expert ingezet kan worden om versoberingsopties mee door te nemen. Een aanvraag tot een gesprek kan ingediend worden via woningbouwenmobiliteit@minienw.nl.
Als ondanks de hiervoor genoemde stappen een tekort resteert dan zal de gemeente hiervan conform de regeling bij IenW melding moeten maken. Dan zal bepaald worden of (een deel van) de – tijdige – realisatie in gevaar komt en in hoeverre stop zetten en (naar rato) terug vorderen aan de orde is. In geval er binnen het WoMo-budget van € 7,5 miljard (pp 2022) middelen zijn vrijgevallen dan kunnen gemeenten met een resterend tekort een beroep doen op een aanvullende rijksbijdrage. Hiertoe is jaarlijks een integrale afweging voorzien.
Deze is maximaal 50% van het aanvullend tekort en hierop zijn de voorwaarden uit de regeling van toepassing. Alle aanvragen worden afgewogen tijdens het BO MIRT. Indien er geld beschikbaar is, kunnen tijdens dit moment aanvragen worden toegekend. Alle aanvragen die zijn ingediend tot en met 31 augustus van dat jaar worden meegenomen.
De beschikbare € 7,5 miljard is volledig verdeeld. De toegekende rijksbijdragen zijn gekoppeld aan de voorwaarden uit de regeling en beschikkingen. De Rijksbijdragen zijn daarmee gekoppeld aan afgesproken aantallen woningen. Tegenover het binnen termijn en locatie bouwen van extra woningen staat dan ook geen extra rijksbijdrage.
Met de oprichting van het BTW-compensatiefonds (BCF) beoogt het Rijk verstoringen, veroorzaakt door btw, tussen uitbesteden en zelf uitvoeren van taken door medeoverheden te verhelpen. Uit dit fonds kunnen gemeenten en provincies betaalde belasting over de toegevoegde waarde (btw) onder voorwaarden terugvragen. Wanneer een gemeente of openbaar lichaam omzetbelasting moet betalen die in aanmerking komt voor compensatie via het BTW-compensatiefonds, is het Rijk verplicht dit bedrag bij het verstrekken van de uitkering over te dragen aan het BTW-compensatiefonds.
Deze verplichte Rijksbijdrage is bij de uitbetaling door IenW van de voorschotten aan gemeenten al in mindering gebracht op het uit te betalen bedrag. Gemeenten ontvangen van IenW dus de Rijksbijdrage exclusief compensabele BTW.
Voor het bepalen van de hoogte van het compensabele BTW- percentage is de onderbouwing van het compensabele bedrag gehanteerd, die door de betreffende gemeente bij de aanvraag van de SPUK is meegeleverd.
Het bedrag aan compensabele omzetbelasting wordt meegeteld bij de beoordeling of het maximumbedrag, zoals vastgesteld in de afsprakenlijst van een bestuurlijk overleg, is bereikt.
De rijksbijdrage is verstrekt voor een pakket aan infrastructurele voorzieningen om de nieuwe woningen te ontsluiten en bereikbaar te maken. Indien een afgesproken infrastructurele voorziening of het afgesproken woningaantal niet, niet volledig of niet tijdig is gerealiseerd, kan de rijksbijdrage voor die voorziening geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd. De beschikking wordt dan lager vastgesteld. Uitgangspunten die bij de vaststelling van de hoogte van de eventuele terugvordering worden meegenomen zijn de mate van verwijtbaarheid en de mate van evenredigheid tussen achterblijvende prestaties en de hoogte van de terugvordering. Aan de hand van die beoordeling zal vastgesteld worden wat de passende maatregel en of terugvordering aan de orde is. Bij het bepalen van de hoogte van het terug te vorderen bedrag wordt de prijspeilontwikkeling sinds 2022 meegerekend. De bijdragen vanuit IenW zijn immers tot het moment van uitkeren door IenW geïndexeerd.
Bij de beoordeling van de afzonderlijke gevallen worden de volgende uitgangspunten betrokken:
| woningen | infra | beide | ||
|---|---|---|---|---|
| Achterblijvende realisatie (terugvorderen) | verwijtbaar | naar rato (*1/2) | naar rato aandeel in maatregelpakket | naar rato |
| niet verwijtbaar | casus specifiek | casus specifiek | casus specifiek | |
| < twee jaar | < twee jaar | < twee jaar | ||
| Achterblijvende start (sanctie) | verwijtbaar | inhouden voorschot | intrekken SPUK | intrekken SPUK |
| niet verwijtbaar | geen | casus specifiek | intrekken SPUK | |
| 1e reminder | 2e reminder | 3e reminder | ||
| Niet tijdig aanleveren beleidsinformatie | sanctie | geen sanctie (wel zichtbaar in verantwoording voortgangsrapportage) | inhouden voorschot | van inhouden voorschot via boete tot intrekken subsidie |
| Lager uitvallende projectkosten | naar rato rijksbijdrage terugvorderen bij vaststelling | |||
| Niet tijdig aanleveren SiSa | kent eigen sanctieregime | |||
Voorbeelden
1. Maatregel niet uitgevoerd
- Oorspronkelijk geraamd resterend tekort voor infrastructurele voorziening: € 50 miljoen
- Rijksbijdrage aan het resterend tekort: 40% (€ 20 miljoen)
- Bij vaststelling van de beschikking blijkt de maatregel niet te zijn uitgevoerd.
- De beschikking wordt in dit geval naar rato, dus 40% van € 50 miljoen oftewel € 20 miljoen, lager vastgesteld.
2. Minder woningen gerealiseerd dan afgesproken
- Oorspronkelijk geraamd resterend tekort voor infrastructurele voorziening: € 80 miljoen
- Rijksbijdrage aan het resterend tekort: 50% (€ 40 miljoen)
- Oorspronkelijk afgesproken te realiseren aantal woningen: 1.000
- Bij vaststelling van de beschikking blijkt de inframaatregel wel te zijn uitgevoerd, maar van de 1.000 afgesproken woningen zijn er maar 500 gerealiseerd.
- De beschikking wordt in dit geval naar rato van het aantal gerealiseerde woningen t.o.v. het aantal afgesproken woningen (50%) lager bijgesteld van € 40 miljoen naar € 20 miljoen.
3. Resterend tekort van de inframaatregelen blijkt lager dan oorspronkelijk geraamd
- Oorspronkelijk geraamd resterend tekort voor infrastructurele voorziening: € 100 miljoen
- Rijksbijdrage aan het resterend tekort: 40% (€ 40 miljoen)
- Het resterend tekort – waarbij de daadwerkelijke exploitatie opbrengsten buiten beschouwing worden gelaten – valt bij vaststelling van de beschikking lager uit: € 95 miljoen.
- De rijksbijdrage wordt dan vastgesteld op 40% van € 95 miljoen, oftewel € 38 miljoen.