Minister Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening past de opkoopbescherming aan. Gemeenten kunnen de opkoopbescherming voortaan inzetten in gebieden waar de leefbaarheid onder druk staat. Gemeenten moeten daarbij onderbouwen waarom opkoopbescherming in bepaalde wijken nodig is. Ook is het voorstel om de opkoopbescherming alleen te laten gelden voor woningen met een WOZ-waarde tot het gemeentelijk gemiddelde. De minister werkt aan een wetsvoorstel dat eind dit jaar in consultatie moet gaan.

Hiermee geeft de minister uitvoering aan de afspraak uit het coalitieakkoord. De aanpassing volgt op een recente evaluatie van de opkoopbescherming en sluit aan op de praktijk. Daaruit blijkt dat de meerwaarde van de opkoopbescherming in de praktijk vooral zit in het behouden van de leefbaarheid en minder in de andere doelen die bij de invoering werden gesteld. Voor het vergroten van de koopkansen voor starters is de opkoopbescherming in de huidige markt geen effectief middel. De aanpak van malafide verhuur kan inmiddels beter met de Wet goed verhuurderschap.
Via de opkoopbescherming kunnen gemeenten ervoor zorgen dat woningen beschikbaar blijven voor kopers die er zelf gaan wonen. Deze groep verhuist minder vaak, wat kan bijdragen aan meer sociale binding in de wijk. Het is daarom belangrijk dat gemeenten kunnen sturen op het soort woningen in een wijk. Ook moeten inwoners kunnen verhuizen naar een ander soort woning, bijvoorbeeld van huur naar koop. Als dit kan binnen de wijk, blijft het sociale netwerk bestaan.
De opkoopbescherming werd in 2022 ingevoerd. Gemeenten kunnen hiermee voorkomen dat investeerders huizen in een wijk opkopen om ze te verhuren. Sinds de invoering hebben ongeveer 70 gemeenten gebruik gemaakt van de regeling.